Nieuwsbrief Andre de Waele september
25 augustus –16 september
Dag van afschaffing van slavernij
Op initiatief van de Garr (steungroep voor gerepatrieerden en vluchtelingen) is op 23 augustus een bezinningsdag gehouden met als thema: ‘Laten we in herinnering aan onze voorouders, die slaven waren, vechten voor een respectvolle behandeling van hen die (door de aardbeving) getroffen zijn’. Deze datum werd uitgekozen, omdat in de nacht van 22 op 23 augustus 1791 de slavenopstand begon, het begin van de onafhankelijkheid.
Om deze gebeurtenissen in het geheugen van de mensen te griffen bepaalde de Unesco in 1998 dat 23 augustus de dag zou zijn waarop internationaal de slavenhandel en de afschaffing ervan herdacht zou worden.
De Garr wilde met de bezinningsdag in het bijzonder de aandacht vragen voor de meer dan een miljoen Haïtianen die, zeven maanden na de aardbeving, nog steeds in erbarmelijke omstandigheden leven. Ook bewoners van tentenkampen maakten van deze dag gebruik om hun kritiek te uiten. Ondanks de belofte van de VN om duurzame onderkomens te bouwen voor de aanvang het orkaanseizoen hebben ze nog steeds geen deugdelijke huisvesting. Ook zijn er steeds nog kampen zonder drinkwater en sanitaire voorzieningen, wat een gevaar oplevert voor de gezondheid.
Dank aan hulpverleners
19 augustus, de internationale dag van de humanitaire hulp, was een geschikte de dag om de vrijwilligers, die na de aardbeving op allerlei manieren de slachtoffers hulp boden, te bedanken. Deze dank werd officieel verwoord door de coördinatrice van de hulporganisaties, de Française Catherine Huck.
‘Ontelbare levens werden gered door de heldhaftigheid van veel mannen en vrouwen en door talrijke organisaties. Ze hielpen de slachtoffers of zorgden er voor dat er hulp van anderen kwam. Zoals bij iedere ramp waren het niet de professionals, maar de eenvoudige burgers die in de verschrikkelijke minuten en uren direct na de ramp levens hebben gered en mensen hebben getroost’.
Onder de hulpverleners zijn ook slachtoffers gevallen. Volgens Huck zijn er minstens dertig omgekomen terwijl ze hulp verleenden of wilden verlenen.
Een organisatie voor hulp aan vluchtelingen en migranten maakte van deze dag gebruik om haar waardering uit te spreken voor het werk van ngo’s en allerlei organisaties van kampbewoners zelf. Door hun optreden werden met weinig middelen epidemieën voorkomen, ontstond er geen chaos en deden zich nauwelijks uitbarstingen van geweld voor.
Zomerkamp
Ongeveer zeshonderd jongeren uit het hele land hebben van 15 tot 21 augustus deelgenomen aan een zomerkamp. Het vond plaats in Hinche en werd georganiseerd door de Mpp, de boerenorganisatie van Papaye. Doel van het kamp was jongeren bewust te maken van de noodzaak van zorg voor het milieu, van het belang van voedselzekerheid en hen te informeren over de klimaatsverandering.
Na afloop maakten jongeren opmerkingen als: ‘We hebben veel geleerd over wat we eten, over hoe we zelf een kleine groentetuin kunnen aanleggen, over de opwarming van de aarde en de gevaren die de ozonlaag bedreigen’. En: ‘We hebben niet veel grond nodig om zelf iets te verbouwen. Je hoeft alleen maar aarde in afgedankte banden te doen, die met mest vermengen en die drie dagen lang begieten. Daarna kun je inzaaien’.
Anderen zeiden geëxperimenteerd te hebben met irrigatiemethodes of met wat nodig is om op een eenvoudige manier ecologisch verantwoord landbouw te bedrijven.
Onrust, ontevredenheid en kritiek
26 augustus: Honderden bewoners van ongeveer honderdtwintig tentenkampen demonstreren tegen de regering. Ze dreigen de verkiezingen van 28 november te boycotten als er niet onmiddellijk maatregelen genomen worden om aan hun mensonwaardig bestaan een eind te maken. ‘Er kan geen sprake zijn van verkiezingen met 1,5 miljoen mensen die in tenten moeten leven’. De demonstranten winden zich op omdat van de kant van de regering nog steeds geen concrete maatregelen genomen zijn om hun verantwoorde huisvesting te geven.
Intussen staan er echter wel lange rijen voor het kantoor waar de mensen hun identiteitskaart kunnen ontvangen, die ze nodig hebben om te mogen kiezen.
Ondanks de kritiek van verschillende politieke partijen op de CEP heeft de secretaris generaal van de OAS, de Chileen Jose Miguel Insulza, vertrouwen in het verkiezingsproces. ‘Er is geen enkele reden om er geen vertrouwen in te hebben’, verklaart hij op 27 augustus na zijn bezoek aan Haïti. Volgens hem heeft Haïti sinds 2006 een absoluut ‘geloofwaardig kiesregister’ dat zelfs ‘beter is dan dat van sommige landen in de regio’.
De aanhoudende kritiek die velen op de CEP hebben betreft haar onafhankelijkheid en het feit dat ze sommige artikelen van de grondwet op haar eigen wijze interpreteert of opzij heeft geschoven.
Van de negenendertig kandidaten voor het presidentschap heeft de CEP er vijftien afgewezen
De waarnemers bij de verkiezingen van de OAS en de Caricom (gemeenschappelijke markt van de Caraïben), die sinds 5 augustus in Haïti zijn, zijn van mening dat onvoldoende transparant is waarom sommige kandidaten geaccepteerd zijn.
Préval heeft afspraken met de kandidaten gepland om hen op de hoogte te stellen van een aantal economische en sociale zaken die aan de orde zijn, zodat ze daarmee rekening kunnen houden bij het vaststellen van hun programma.
In de benedenstad van Port-au-Prince is een begin gemaakt aan het opruimen van het puin. De werkzaamheden worden uitgevoerd door een Amerikaanse firma. De bewoners en winkeliers uit de wijk zijn kwaad omdat ze niet van te voren van deze activiteiten op de hoogte zijn gesteld. Ook zijn ze onkundig gelaten over de concrete plannen die de overheid met herinrichting van deze wijk heeft. Wel is duidelijk dat ze ingericht zal worden met het oog op het algemeen belang, zoals plaats bieden aan regeringsgebouwen, die grotendeels verwoest of beschadigd zijn, maar ook aan hotels.
Politie beschuldigd
Wegens belediging van een magistraat is op 26 augustus de politieman Wanzo Gilles veroordeeld tot drie maanden gevangenis, schorsing van zijn burger- en politieke rechten voor de duur van zes maanden en ontslag bij de politie. Tegen deze veroordeling is veel verzet van het politieapparaat. Zo demonstreren op 30 augustus politieagenten van verschillende commissariaten in Port-au-Prince voor de ingang van de rechtbank en betuigen daarmee hun steun aan hun in de gevangenis opgesloten collega. Ook werknemers van de migratiedienst, waar Gilles werkzaam was, laten zich niet onbetuigd. De landelijke politieleiding eist een onafhankelijk onderzoek naar deze zaak.
Verschillende juristen beschuldigen een rechtbank die een dergelijk vonnis uitspreekt van machtsmisbruik.
Veel mensen zijn nieuwsgierig hoe dit zoveelste conflict tussen justitie en politie eindigt. Regelmatig is er onenigheid tussen beide organisaties, vooral wanneer het gaat om het zonder opgaaf van reden vrijlaten van verdachten, wat regelmatig gebeurt.
De advocaat van Gilles wilde beroep aantekenen, maar sinds de aardbeving functioneert het hof van beroep niet meer.
Gedenkteken
Sinds een aantal mensen in juli het idee opperden om een gedenkteken op te richten voor de slachtoffers van de aardbeving, zijn verschillende andere initiatieven ontstaan. Een nationaal comité, dat kort daarna is opgericht, is belast met de coördinatie van deze initiatieven en stelt zich tot doel: ‘een register samenstellen van de slachtoffers en gedenktekens oprichten als teken van gemeenschappelijke rouw’.
Architecten en beeldhouwers kunnen ontwerpen indienen voor monumenten ter gedachtenis aan Haïtianen en buitenlanders die bij de aardbeving zijn omgekomen. Voor Léogane, waar het epicentrum was, wordt gedacht aan het planten van 2010 bomen.
In dezelfde strijd tegen het vergeten nemen ook een dertigtal vertegenwoordigers van veertien instellingen, die eigenaar zijn van cultureel erfgoed, deel aan cursus over het beheer van collecties.
Voor de restauratie van de meer dan 50 duizend beschadigde voorwerpen die deel uitmaken van het Haïtiaans erfgoed (kunstwerken, archieven, boeken en restanten van historische gebouwen) zal veel expertise nodig zijn. Er zullen vele jaren mee gemoeid zijn.
Problemen met visa voor Frankrijk
Een groot aantal Haïtiaanse en Franse organisaties voor de mensenrechten, voor immigranten en ontwikkeling slaan bij de autoriteiten van beide landen alarm over het gevaar dat de Haïtiaanse burger dreigt op twee manieren slachtoffer te worden: een keer van het gebrekkig Haïtiaanse overheidsapparaat en een keer van een Franse dienstijver tot in het absurde.
Ze hebben op 10 september een brief gestuurd aan de Haïtiaanse en Franse autoriteiten.
Voor Haïti aan de minister van Justitie, de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Haïtianen die in het buitenland wonen en aan de directeur van het nationaal archief.
Voor Frankrijk: aan de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Integratie en Nationale Identiteit, de minister van Overzeese Gebieden, de prefect van Guadaloupe, die van Guyana en die van Martinique, en aan de Franse ambassadeur en de Franse viceconsul in Haïti.
‘De aardbeving die Haïti trof op 12 januari 2010 is door de afdeling van de VN die humanitaire zaken coördineert (OCHA) gekenmerkt als ‘de ernstigste catastrofe die de VN tot nu toe heeft beleefd’. Het officiële aantal doden is 300.000 en er zijn evenveel gewonden. Rond de 250.000 gebouwen zijn verwoest of beschadigd, waaronder het ministerie van Justitie en Nationale Veiligheid en vier kantoren van de burgerlijke stand. Talrijke mensen hebben niet de mogelijkheid om het overlijden van verwanten, die tijdens de aardbeving verdwenen zijn, vast te stellen. Veel zijn hun documenten in de puinhopen kwijtgeraakt.
De aardbeving heeft de visumaanvragen voor Frankrijk vervijfvoudigd, wat duidelijk aantoont dat het voor sommige Haïtianen van levensbelang is om een mogelijkheid te vinden om elders op een behoorlijke manier te kunnen leven.
Maar het krijgen van een visum is iets kafkaniaans en blijkt in de meeste gevallen onmogelijk.
‘De kwetsbare Haïtiaanse burger is de dupe van oude problemen bij de burgerlijke stand in Haïti, problemen die nog verergerd zijn door de aardbeving, en van de overdreven achterdocht van de Franse ambassade. Hij wordt verantwoordelijk gesteld voor een situatie waarvan hij het eerste slachtoffer is.
Daarom veroordelen wij de overdreven eisen van Franse ambassade in Haïti aan de documenten van de burgerlijke stand, de weinige waarde die zij hecht aan Haïtiaanse instituties en de soms discriminerende praktijk die zij hanteert, namelijk:
1. De dubbele eis van een geboorteakte, afgegeven binnen twee jaar na de geboorte, en een uitreksel uit het geboorteregister na 1 februari 2008;
2. het niet erkennen van de juridische waarde van aanvullende verklaringen die de Haïtiaanse rechter gegeven heeft bij een verlate aangifte van geboorte;
3. de verdenking van vervalsing van iedere akte van burgerlijke staat, zelfs als die afgegeven zijn door het nationaal archief en gelegaliseerd door een van de consulaten van Haïti in Frankrijk;
4. de eis van ‘een doopbewijs of presentatie in de tempel’ die ze stelt bij visumaanvragen voor een kort verblijf van minderjarigen, naast de eis van een geboorteakte;
‘Wij veroordelen eveneens dat veel prefecturen, vooral die in Latijns Amerika, dezelfde administratieve eisen stellen aan Haïtiaanse vluchtelingen.
‘Van de Franse autoriteiten eisen onze organisaties dat zij de lijst van eisen waaraan de Haïtiaanse documenten van de burgerlijke staat moeten voldoen herziet, zodat ze recht doen aan de eis van gelijke behandeling van personen. Ze eisen dat er een eind wordt gemaakt aan het machtsmisbruik van consulaten en prefecturen, dat een minachten is van de soevereiniteit van Haïtiaanse autoriteiten (de ambtenaren van de burgerlijke stand en het nationaal archief, magistraten en de Haïtiaanse consuls in Frankrijk) en dat duidelijk geen rekening houdt met de situatie van het land.
Tot de Haïtiaanse autoriteiten richten onze organisaties zich met de bedoeling dat zij zich inzetten voor een echte hervorming van de burgerlijke stand die uiteindelijk gratis moet zijn, toegankelijk voor iedereen en betrouwbaar. Ze zal vooral de strijd moeten aanbinden tegen de spellingfouten die ze maakt in voor- en achternamen.
‘Zonder deze verbeteringen blijft de Haïtiaan het dubbele slachtoffer van het gebrekkig Haïtiaans overheidsapparaat en de Franse dienstijver tot in het absurde’.
(Deze brief was wat Haïti betreft ondertekend door Garr, Justitia et Pax en het Haïtiaans platform voor mensenrechten.
Voor Frankrijk tekenden meer dan twintig ngo’s.)
5,7 miljoen Duvalierdollars terug aan Haïti
Illegale banktegoeden van dictators zijn niet langer veilig in Zwitserland. Het parlement heeft met 114 stemmen voor en 49 tegen een wet aangenomen waarin die tegoeden – vaak miljoenen geroofde dollars – kunnen worden uitgekeerd aan de wettige regering van het betreffende land en niet aan de familie van de despotische leiders. De wet is alleen van toepassing als een land een fragiele staat is en niet zelf het bedrag kan terugvorderen als gevolg van het zwakke juridisch systeem van dat land.
Het eerste land dat van de nieuwe Zwitserse wet profiteert is Haïti. De staatskas van het Caribische land zal 5,7 miljoen dollar (4,4 miljoen euro) ontvangen van bevroren Zwitserse bankrekeningen van de familie Duvalier. ‘Papa Doc’ en zoon ‘Baby Doc’ Duvalier maakten tussen 1956 en 1986 met behulp van gewapende bendes de dienst uit in Haïti.
De Haïtiaanse regering zal het geld goed kunnen gebruiken. Deze week beklaagde Edmond Mulet, de chef van de VN-stabilisatiemacht in Haïti (Minustah), zich erover dat het land slechts 18,9 procent (506 miljoen dollar) heeft gekregen van het geld dat door de internationale gemeenschap was beloofd.
Bij een donorconferentie in Canada in maart hadden landen miljarden dollars toegezegd voor de Haïtiaanse wederopbouw. Naar schatting wonen 1,3 miljoen Haïtianen nog altijd in een van de 1.300 tentenkampen voor ontheemden op het eiland. (VK. 16 september)










